Macronutriënten

Macronutriënten

Soorten macronutriënten

Er zijn drie soorten macronutriënten in voeding: Vetten, koolhydraten en eiwitten. Koolhydraten komen in allerlei vormen voor, bijvoorbeeld zetmeel en suikers. Eiwitten zijn ketens van aminozuren. Er zijn 20 verschillende aminozuren, die op verschillende manieren aan elkaar gehecht kunnen zijn, en dat geeft uiteindelijk de verschillendee Miwitstructuren.

Macronutriënten komen in verschillende hoeveelheden voor in onze voeding. Een aantal voorbeelden van voedingsmiddel uit de dagelijkse praktijk.

  • Olijfolie bestaat 100% uit vet (triglyceriden).
  • Tafelsuiker bestaat 100% uit koolhydraten.
  • Magere biefstuk bestaat 22% uit eiwit. 100% eiwit als voedingsmiddel bestaat niet (eiwit poeder is niet te consumeren). Biefstuk is dus eiwitrijk voedsel. Als voedingsmiddel is biefstuk het meest rijk aan eiwit.
  • Brood is een voedingsmiddel wat bestaat uit een combinatie van alle drie de macronutriënten. Merendeel van de voedingsmiddelen is een combinatie van alle drie de macronutriënten.

Macronutriënten leveren energie op. Voedingswaarde kun je terugvinden op verpakkingen, en daar wordt aangegeven hoeveel er in zit van de macronutriënten.

De manier waarop wij energie consumeren en wat er in het lichaam mee gebeurt:

Bruto energie – Verteerbare energie – Metaboliseerbare energie – Netto energie

Bruto energie vertegenwoordigt alle energie die aanwezig is in voeding. De bruto energie kun je wegen door het voedingsmiddel in de open lucht te verbranden. De totale hoeveelheid warmte die daarbij vrijkomt is de totalen hoeveelheid energie die in dat voedingsmiddel zit. Maar deze hoeveelheid energie is niet gelijk aan de hoeveelheid energie die wij uit het voedingsmiddel kunnen extraheren. Bruto energie is niet volledig beschikbaar voor het lichaam, er treedt verlies op. Een deel van de energie gaat verloren aan ontlasting, omdat het lichaam niet in staat is om alles te verteren.

De verteerbare energie is hoeveelheid die we werkelijk opnemen. Deze is afhankelijk van de verteerbaarheid van het voedingsmiddel. Over het algemeen is deze constant en kan het lichaam koolhydraten voor 98% opnemen, vet 95% en eiwit 92%. Eiwit is het minst goed verteerbaar en daardoor meest aanwezig in ontlasting.

Vervolgens zal er ook een gedeelte ons lichaam verlaten in urine of in de vorm van gas. De energie die daarna overblijft is metaboliseerbare energie. Goed om te realiseren is dat de metaboliseerbare energie wordt gebruikt om de energetische waarde in voedingsmiddelen te berekenen. De metaboliseerbare energie is wat voor het lichaam dus beschikbaar is om te worden verbrand.

Van koolhydraten en vetten wordt er geen energie verloren in urine of in de vorm van gas. Eiwitten zijn minst verteerbaar en er wordt ook meest van verloren in urine of gas.

Vertaald naar kilocalorieën betekent dit dat er 4 kcal koolhydraten, 9 kcal vetten en 4 kcal eiwitten, per gram nutriënt metaboliseerbare energie aanwezig is.

Metaboliseerbare is dus energie die overblijft na verlies in ontlasting en urine. Maar bij verbranding zal een groot gedeelte van de energie  verloren gaan aan warmte.  Een klein gedeelte zal overblijven om vervolgens gebruikt te kunnen worden om bepaalde processen in het lichaam mogelijk te maken. Dit gedeelte noemen we netto energie en deze energie kan worden omgezet in ATP.

Metaboliseerbare energie in de vorm van glucose, vetzuren en aminozuren, wordt dus uiteindelijk door een intermediair proces afgebroken. Een gedeelte van deze energie kan worden omgezet in ATP, maar een groot gedeelte gaat verloren aan warmte. Die warmte gebruiken we om de lichaamstemperatuur op peil te houden.

Share this post